Geschiedenis

De wijk
De wijk Zurenborg ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw op gronden van baron Osy de Wichem. Aanvankelijk was het de bedoeling om pakhuizen, handelspanden en horecazaken in te richten in deze nieuwe stationsbuurt, maar omwille van de beperkte belangstelling van handelaars en zakenlui, werd het stadsdeel als residentiële woonwijk voor de gegoede Antwerpse burgerij ontwikkeld.

De wijk is vooral bekend omwille van zijn opvallende bouwstijlen: jugendstil, art nouveau en neoclassicisme. Architecten zoals Jacques de Weert, Jules Hofman en Joseph Bascourt hebben zich hier kunnen uitleven. Denk daarbij aan burgerhuizen als ‘De Roos’, ‘De Zonnebloem’, ‘Quinten Matsys’ of hoekhuizen ‘Lente’, ‘Zomer’, ‘Herfst’ en ‘Winter’. 

Na de Tweede wereldoorlog kende Zurenborg een periode van verval, waardoor er zelfs een tijd lang sprake was van een mogelijk sloop om plaats te maken voor kantoorruimten en appartementsgebouwen. Maar vanaf de jaren zeventig kwam er een ommekeer toen de wijk kunstenaars en intellectuelen begon aan te trekken. Sinds 1984 is het een beschermd stadsdeel. 

Centraal ligt de Dageraadplaats, met verschillende restaurantjes en cafeetjes. Op zonnige dagen lijkt het plein één groot terras en ’s avonds zit je altijd onder een heldere sterrenhemel.

Het kerkgebouw
Met de ontwikkeling van de wijk en de komst van de eerste bewoners naar het afgelegen Zurenborg werd in juli 1883 een voorlopige kapel gebouwd aan de Dageraadplaats naar ontwerp van Albert Arnou. Een Koninklijk Besluit van 11 februari 1846 maakte van deze kapel, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand, een succursale kerk, een nevenkerk. Bij het aanduiden van de nieuwe beschermheilige uitte Kardinaal Petrus-Lambertus Goossens zijn voorkeur voor de Heilige Norbertus, ter nagedachtenis aan de stichter van de Witherenorde uit de 12e eeuw. 

Door de verdere ontsluiting van de wijk en de aangroeiende bevolking bleek een ruimer kerkgebouw al gauw noodzakelijk. De kapel en enkele huizen werden gesloopt en tussen 1901 en 1904 werd de Sint-Norbertuskerk gebouwd als parochiekerk voor Zurenborg. Architect Ernest Dieltiens koos voor een bouwwerk van om en bij 1400 vierkante meter in neogotische stijl, waarbij hij zijn ontwerp zelf beschreef als: simple mais convenable.

In de lente van 1903 stond het nieuwe gebouw onder dak en was de 50 meter hoge toren voltooid. Vanaf dan kon gestart worden met de binnenafwerking. 

Op 7 mei 1904 zegde pastoor-deken Theophiel Roucourt uit Berchem de nieuwe kerk voorlopig in zodat ze de volgende zondag in gebruik kon worden genomen. De plechtige wijding door Kardinaal Goossens vond plaats op 29 september 1904. 

De Sint-Norbertuskerk kwam niet ongehavend uit de beide wereldoorlogen. Bij beschietingen van de stad op 7 oktober 1914 en de daarop volgende dagen leek de schade eerder beperkt. Maar tussen oktober 1944 en maart 1945 werden de omliggende straten niet minder dan zes keer getroffen door een bombardement. Ook de drie luidklokken werden niet gespaard. Vijandelijke troepen haalden ze tussen 1943 en 1944 één voor één uit de toren waarbij het metselwerk werd vernield.

In 2009 kwam het kerkgebouw terecht op de lijst van beschermde monumenten in Antwerpen omwille van de stedenbouwkundige, architectuurhistorische, artistieke, volkskundige en sociaal-culturele waarde. Met name de grote bruikbaarheid en de sterke banden met de buurtwerking komen als belangrijke pluspunten naar voor.

Het interieur
De artistieke kwaliteiten van de Sint-Norbertuskerk zijn zowel in het exterieur als in het interieur terug te vinden. Het globale concept is opgevat als een totaalkunstwerk waarvan leidinggevend architect Ernest Dieltiens niet alleen de coördinatie, maar ook het ontwerp van verschillende onderdelen, zoals de mozaïekvloer, het hoogaltaar, de zijaltaren en de biechtstoelen, voor zijn rekening nam.

Verschillende gulle schenkers zorgden ervoor dat een hele reeks kunstenaars en ateliers konden worden aangesproken voor een smaakvolle binnenversiering van het gebouw.

Mozaïeken
De firma P. en A. Pellarin uit Molenbeek legde de prachtige mozaïekvloeren. Diezelfde broers creëerden eveneens de vloer van de Egyptische tempel in de Zoo van Antwerpen.

Het werkhuis van Giandomenico Facchina uit Parijs, de onbetwistbare grootmeester van de mozaïekkunst in de 19e eeuw, plaatste de evangelische taferelen in kunstmozaïek op de gouden achtergrond boven de drie portalen. Van zijn hand zijn ondermeer ook de fresco’s in de Opéra Garnier in Parijs en de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Sion in Jeruzalem.

Glasramen
Het glas-in-lood boven het hoogkoor en de middenbeuk werd vervaardigd door François-Ambroise Comère en Jules-Adrien Capronnier (1838-1914) uit Brussel. De drie centrale glasramen verbeelden de Heilige Petrus (links), Christus Koning (midden) en de Heilige Paulus (rechts). De samenwerking tussen deze twee glazeniers is verder ook terug te vinden in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Tongeren, de Sint-Catharinakerk in Hoogstraten en de Kloosterkerk in Leuven.

Het glasraam in de kapel van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand is van de hand van de Brugse glasschilder Jules Dobbelaere (1859-1916), net zoals de grootse brandglasramen in de kruisbeuken en het raam in de Heilig Hartkapel. Er worden verschillende taferelen voorgesteld zoals: Jezus, de kindervriend, Jezus voor Pilatus, Christus Koning omringd door engelen en het leven van de Heilige Norbertus. Het atelier van Dobbelaere werd gesticht in 1860 door vader Henri en genoot grote waardering in Vlaanderen en ver daarbuiten.

De rosas achteraan de kerk, boven het orgel, is van schilder en glasraamkunstenaar Edward Steyaert (1868-1932) uit Brussel. Het stelt musicerende engelen voor. Dit werk werd geschonken door Baron Alphonse van de Put, wiens wapenschild ‘Honor, Corona, Virtutis’ links in de rosas is ingewerkt.

De Antwerpenaar Eugeen Joors (1850-1910) maakte tot slot de glasramen in de zijbeuken met een voorstelling van Heilige Theresia van Avila en Franciscus van Assisi.

Schilderijen
Kunstschilder Jos Ratinckx (1860-1937) schilderde de Bijbelse figuren boven het hoogkoor. Hij leverde ook de ontwerpen voor tien paneelschilderingen die hoofdmomenten uit het leven van de Heilige Norbertus uitbeelden en die werden geplaatst boven de spitsbogen in de middenbeuk. De uitvoering daarvan werd toevertrouwd aan kunstschilders Tony Van Os (1886-1945) en K. Van de Oever.

Voor de retabels boven de zijaltaren penseelde Jan Anthony (1854-1930) vier taferelen uit het leven van de Zaligmaker: de Boodschap van de Engel aan Maria, het Wonder op de Bruiloft te Kana, de Vermenigvuldiging der Broden en de Voetwassing van Jezus door Maria Magdalena.

Beeldhouwwerken
De Antwerpse beeldhouwer Jan Gerrits (1844-1922) vervaardigde het hoogaltaar, de statiën van de kruisweg, de preekstoel en het beeld van de Heilige Norbertus. Het altaar is uitgevoerd in witte steen van Savonnière.

De zijaltaren werden uitgevoerd door beeldhouwer V. Mutsaers uit Antwerpen in samenwerking met de gebroeders Van Beylen uit Borgerhout. Deze laatsten beitelden ook de biechtstoelen en de houten lambriseringen die duidelijk geïnspireerd zijn op de spitse torentjes van de centers aan de spoorweg tussen het station van Berchem en Antwerpen-Centraal.

De beelden van de Heilige Joachim, de Heilige Anna, de Heilige Jozef, de Heilige Antonius en de Heilige Gerardus die verspreid staan in de zijbeuken van de kerk zijn van de hand van Jules Weyns (1849-1930).  Deze kunstenaar is eveneens bekend omwille van zijn gevelbeelden aan het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.

Het beeld van de Heilige Theresia en van het Kind Jezus is werk van de Borgerhoutse beeldhouwer Rik Sauter (1885-1952).

Klokken
De klokken die in de Tweede Wereldoorlog werden ontvreemd, zijn intussen vervangen.  Op 1 juli 1951 wijdde Monseigneur De Smedt, destijds hulpbisschop van Mechelen en later bisschop van Brugge, de drie nieuwe klokken, gegoten door de firma Georges Slegers-Cousard uit Tellin.

Het Loretorgel
François-Bernard Loret (1808-1877) werd geboren in een Vlaamse orgelbouwersfamilie uit Dendermonde en leerde al op jonge leeftijd het vak bij zijn vader. Hij vestigde zich eerst als zelfstandig orgelmaker in Sint-Niklaas en verhuisde later naar Mechelen.

Loret genoot al gauw een groot aanzien in binnen- en buitenland omwille van zijn talrijke innovaties in orgelbouwtechnieken en ontving hiervoor ook verschillende onderscheidingen. Na 1838 wist Loret tot de Nederlandse markt door te dringen, vooral in katholieke kringen. Hij leverde een vijftigtal instrumenten af zoals in Tilburg, Breda, Rotterdam, s'Gravenhage, Utrecht, Leiden en Katwijk. François-Bernard Loret bouwde meer dan 300 orgels, waaronder een in de kathedraal van Arequipa (Peru). Deze opdracht maakte hem tot een befaamd orgelbouwer.

Het orgel in de Sint-Norbertuskerk is afkomstig uit de voormalige 17e eeuwse Sint-Willibrorduskerk in Antwerpen. Deze kerk werd rond 1890 afgebroken en vervangen door een neogotische kerk. Het oude mechanische orgel, vervaardigd door François-Bernard Loret in 1846, werd het verkocht aan de Sint-Norbertuskerk. Het had toen een klavier en een zelfstandig pedaal.

In 1924 transformeerde Jos Stevens uit Duffel het gehele orgel.  Hij maakte daarbij gebruik van het oude Loret-pijpwerk uit 1846. Daarnaast breidde hij het orgel met nieuw pijpwerk uit. Het resultaat werd een orgel met twee klavieren en zelfstandig pedaal. Het instrument kreeg een pneumatische tractuur en een orgelkast met geschilderd prospect, gemaakt uit delen van een oudere orgelkast. Deze manier van orgels bouwen werd in die tijd vaak toegepast maar is intussen uit de mode.

Het Loret/Stevens-orgel is gebouwd volgens de Franse symfonische orgelbouwstijl. Deze stijl is overgewaaid via de Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll (1811-1899). In tegenstelling tot de barokke orgels waarbij helderheid en het duidelijk overbrengen van de polyfonie de hoofdzaak vormen, wordt in de Franse romantiek de nadruk gelegd op het orgel als symfonisch instrument. Men gaat namelijk de orgels ondermeer voorzien van de nodige strijkregisters, tongwerken en een zwelkast, waardoor de organist het instrument dynamischer (crescendo, decrescendo) kan bedienen. Het is met zijn 1113 pijpen weliswaar een bescheiden instrument, maar daarom niet minder interessant.

In 1994 werd het orgel voorzien van nieuwe klavieren met een mechanische veerspanning en een elektro-pneumatische tractuur. In 1998 werd dan begonnen met de restauratie en het herintoneren van het integrale pijpwerk. Al deze werken werden toevertrouwd aan orgelbouwer Leopold Lombaerts uit Ninove.

In 2001 werd de laatste fase afgewerkt, namelijk de bouw van een nieuwe eiken orgelkast met frontpijpen in de stijl van de bouwperiode van het orgel en de kerk.

Er zijn in Vlaanderen nog maar weinig instrumenten van Loret overgebleven. Gelukkig werd in dit orgel het originele pijpwerk behouden en volledig geïntegreerd met het nieuwer pijpwerk zonder de eenheid en het karakter van het instrument te schaden. Door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid oud pijpwerk van François-Bernard Loret kunnen we het orgel dan ook aan hem toeschrijven.